De ouderenzorg in coronatijd – Deel 2

Weet je nog, mijn laatste blog over de ouderenzorg? De wereld die voor iedereen verborgen blijft, omdat bezoek nu niet is toegestaan? Klik hier om het alsnog te lezen.

We zijn alweer een paar weken verder. Talloze aanpassingen hebben inmiddels plaats gevonden. Het waren verdrietige, lastige, maar ook bijzondere veranderingen. Vandaag was een dag waar we met de hele afdeling op hebben gewacht.

Het was al volop licht buiten, ook al was het nog vroeg in de ochtend. Zelfs het verkeer was nog niet op gang. Mijn autoradio stond hard aan en omdat niemand commentaar kon leveren over mijn zangkunsten, brulde ik mee met de nummers van Marco Borsato en Miss Montreal. Je begrijpt het al, de sfeer zat er goed in. Logisch, want mijn dag begon met goed nieuws. (Dat ik met dit zomerweer de hele middag én het weekend vrij ben, speelde uiteraard ook een klein rolletje mee.)

Naast me stond, net als de afgelopen weken, een tweede tas. Deze keer alleen met een uniformjasje, want de extra broek mocht thuis blijven. Alleen dit gegeven was al een hele vooruitgang, want het vergt nogal wat tijd om jezelf steeds helemaal om te moeten kleden.

Vanaf 24 maart moest iedereen die op de afdeling moest zijn, een extra set kleding meenemen en moesten we een schort met lange mouwen, een mondkapje, spatbril en handschoenen aan. Collega’s waren ziek en omdat in die tijd nog niemand getest werd, was extra bescherming noodzakelijk.

COVID-19 heeft, door het hele huis, helaas voor veel sterfgevallen gezorgd. Veel anderen, die zijn genezen van dit virus, hebben te maken met restverschijnselen, zowel geestelijk als lichamelijk.

Vanaf vandaag is onze afdeling virus-vrij verklaard. Nu de quarantaine van twee weken voorbij is voor de laatste risicovolle bewoners, verandert er veel. Naast die extra broek die we thuis mogen laten, is ook de beschermende kleding niet meer nodig. Wat is dat een verademing. Het is niet alleen warm en vaak pijnlijk, maar ook al onze spullen zaten onder het lange schort verstopt; de werktelefoon, onze sleutelbos, pennen, enzovoorts. Ook onze glimlach, misschien wel ons meest waardevolle geschenk voor deze eenzame ouderen, hoeven we nu niet meer te verbergen

De liften, die al die tijd alleen voor transport bedoeld waren, mogen we weer gebruiken voor onszelf en de bewoners. Wel met allerlei voorwaarden, maar die nemen we voor lief. We mogen weer van de afdeling af, iets wat we waarschijnlijk allemaal vreselijk gemist hebben.

De versoepeling is positief nieuws. Een moment om bij stil te staan. Even maar, want meteen daarna volgt de realiteit: We zijn er nog niet.

Met samengeknepen billen wachten we af. Wat nou als we weer zieken hebben? Wat nou als een tweede golf de afdeling te pakken neemt? De kans is groot dat dan alle maatregelen weer worden teruggedraaid. We hopen van harte dat deze tijd nooit meer terugkomt. Dat familie snel weer binnen mag komen en alles weer wordt, zoals het was. Tot die tijd genieten we van het kleine beetje winst, maken we het voor elkaar zo aangenaam mogelijk en vieren we alvast een heel klein beetje feest.

De ouderenzorg in Coronatijd

Het is half zeven als ik de snelweg oprij, een paar minuten eerder dan normaal. Ik ben op weg naar mijn werk, in mijn “normale” kloffie.

Als ik Tilburg binnen rij, zie ik overal borden langs de weg die de “zorgtoppers” een hart onder de riem willen steken. Ik, wij, de mensen die de maatschappij draaiende moeten houden, al hou ik me daar niet zo mee bezig.

Op de parkeerplaats is het rustig. Niet vreemd gezien dit vroege tijdstip, ook al weet ik dat er in de loop van de dag weinig zal veranderen. De basisschool die naast de zorginstelling is gebouwd, blijft dicht en ook veel winkels zullen voorlopig gesloten zijn.

Vlug log ik in op de parkeerapp, vul een beker met koffie en vertrek met mijn twee tassen naar de achterkant van het gebouw. Ik moet naar de derde verdieping. Niet, net als anders, met de lift, want momenteel gebruiken we die alleen maar voor goederentransport.

Eenmaal boven mag ik de afdeling niet meteen op. Het RIVM heeft besloten dat iedereen zich eerst helemaal moet omkleden. Wij doen dit in ons voorraadhok. De ruimte is krap, vooral als je met meerdere collega’s tegelijk staat te dansen en te springen om alle bovenkleding uit te doen en een ander setje aan te trekken. Gelukkig mogen we ons ondergoed, sokken en schoenen wel aanhouden. Op een karretje liggen schorten met lange mouwen, mondkapjes, spatbrillen en handschoenen. Dit moet over onze kleding heen aan. We moeten er zuinig mee zijn, het materiaal is precies genoeg voor één dag. De beschermende kleding is schaars.

Er klinkt, net als bijna elke dag, een hoop gezucht en gesteun. Voor veel collega’s is het een flinke uitputting om de stenen trap op te klimmen. Het mondkapje en het warme schort maken het er niet beter op. Er zit niks anders op, zeker bij deze kwetsbare doelgroep moeten we extra alert zijn.

In de teamkamer luister ik naar de overdracht van de nachtdienst. Gisteravond is een bewoner overleden. Ook hier komen nieuwe richtlijnen bij kijken, ook al is hij niet aan het Corona virus overleden. Een zucht ontsnapt, we moeten ons aan zoveel regels houden die keer-op-keer worden aangepast. Verslappen is geen optie, we moeten alert blijven, alle informatie lezen, opslaan, onthouden.

Ik zie de vermoeidheid in de gezichten van mijn teamgenoten. We werken allemaal meer en harder dan anders. Bewoners zijn ziek, familieleden bellen ons uit bezorgdheid en het vergt veel nadenken en organiseren, omdat de normale dingen nu zó anders zijn. Gelukkig hebben we een klein clubje mensen op de begane grond die we heel de dag kunnen bellen als we iets nodig hebben, want zelf mogen we niet meer naar beneden. De post, medicijnen, afval, maaltijden, alles gaat met liften van en naar de juiste etages en dat is goed geregeld. In het midden van het gebouw hebben we twee liften. De ene is voor de schone spullen, de andere voor het vuil.

Meer dan ooit lopen we rond met een thermometer en een saturatiemeter, want iedereen die ziek is, was, of lijkt, controleren we. Als het even kan, houden we de (mogelijk) besmette ouderen in quarantaine op hun eigen appartement, al is dat op de gesloten verpleegafdeling, waar de mensen met vergevorderde dementie wonen, niet altijd mogelijk. Is dat erg? Niet echt, want we zijn een creatief en vindingrijk team dat haast overal wel een oplossing op bedenkt.

We wassen, we kleden en af en toe moeten we even ons mondkapje en bril afzetten, zodat onze bewoners weten wie er aan hun bed staat. De situatie is niet ideaal, slechthorenden verstaan ons niet en ook non-verbale communicatie is, met al die spullen op, niet echt handig. Toch werken we stug door, drinken extra veel en duiken dankbaar het balkon op tijdens onze pauzes, zodat alles even af kan. Heerlijk!

De telefoon staat roodgloeiend, want de medicijnbox staat in de lift, familie wil het vuile wasgoed hebben en horen uiteraard graag hoe het met hun ouders gaat. Een gastvrouw zet krulspelden in, een stagiaire knipt en lakt nagels, want iedereen moet er zo goed mogelijk uit blijven zien. Met een mobiele telefoon kunnen onze bewoners beeldbellen met hun familieleden, een unieke kans om met deze moderne techniek om te leren gaan. Ondertussen draven wij twee keer per dag, gewapend met desinfecterende middelen langs alle deuren om de boel zo hygiënisch mogelijk te houden, schrobt de huishoudelijke dienst de gangen en kamers grondig en lachen we om elkaars stomme, onhandige acties, zoals het eten van een framboos terwijl je nog een mondkapje op hebt. Totdat onze dienst erop zit, we onze pakken uit mogen doen en in ons vrijetijdsoutfit het pand weer mogen verlaten.

In het restaurant, waar het nu griezelig stil is, is ook het horeca personeel hard aan het werk om de warme maaltijd in karren te verdelen. Ook wij worden extra verwend met soep en wat lekkers, dus voorlopig blijven mijn boterhammetjes thuis. En ’s middags, als er een zak met schoon wasgoed de afdeling op komt, vinden we af en toe een taart, snoepgoed of een mooie kaart. Het bewijs dat ons werk wordt gewaardeerd. Het houdt ons op de been, want samen staan we sterk.

Eigenaardig

Een zucht ontsnapt als ik de motor uitzet. Mijn hoofd duizelt van dat stomme mondkapje dat ik heel de dag heb moeten dragen. De druk ervan op mijn neus en achter mijn oren, voel ik nog steeds. De frisse lucht zal me vast goed doen.

De parkeerplaats is verlaten. Bijzonder, want met mooi weer is het altijd druk in dit natuurgebied. Ik haal mijn schouders op. Ach, het RIVM waarschuwt dat mensen zoveel mogelijk thuis moeten blijven, maar een korte wandeling kan vast geen kwaad. Ik haal diep adem, dan wandel de bossen in. Overal groeien al jonge blaadjes, langs het water zie ik paarse bloempjes en ook in verschillende bomen zie ik witte knopjes die schitteren in het zonlicht. Een zacht briesje blaast tegen mijn wangen en door mijn haar, heerlijk.

Met een brede glimlach geniet ik van dit korte uitstapje. Geen mensen, geen honden, alleen het ritselen van bladeren, het fluiten van vogels en mijn voetstappen. Nog nooit is het hier zo stil geweest.

Mijn gedachten dwarrelen terug naar mijn werk. De ouderen die nu al veel te lang opgesloten zitten zonder bezoek. Ze mogen de afdeling niet eens af. Behalve hun medebewoners en het verzorgend personeel dat rondloopt in schorten, met mondkapjes, handschoenen en een spatbril, zien ze niemand. Twee bewoners liggen op sterven, niet eens door het virus. Alleen zij zien één, hooguit twee familieleden per dag, mits onder strikte voorwaarden. Hoe lang gaat het nog duren?

Naast me springt een ekster op een tak, luid kwetterend. Ik glimlach even om dit opgewonde beest en loop verder. Hij volgt me, strijkt opnieuw vlak voor me op een tak. Driftig wappert hij met zijn vleugels. Wat moet hij toch? Hoofdschuddend vervolg ik het pad totdat een roodborstje vlak voor mijn voeten wegvliegt. Ook dit diertje maakt een hoop kabaal. Vreemd.

Ik stap over een boomstam die dwars over het bospad ligt. Abrupt blijf ik staan. Een muffe lucht dringt mijn neus binnen, de wind is gaan liggen, ook de vogels zijn gestopt met fluiten. Aarzelend zet ik een stap naar voren. Een doffe krak klinkt onder mijn schoen. De wind steekt op. Vlak voor mijn voeten wervelt zand omhoog. Takken zwiepen wild heen-en-weer. In de verte zie ik het witte pluimpje van een hertenstaart wegschieten. Verschrikt deins ik achteruit. Met grote ogen kijk ik om me heen. Zie ik het goed? Voorzichtig wrijf ik over mijn gezicht. Mijn hartslag gaat razendsnel tekeer. Wat gebeurt hier? Ik hoor hout kraken, de zon verdwijnt en boven me klinkt een brommend geluid. In een reflex duik ik in elkaar. Bewegen durf ik niet meer.  

‘Vlucht, snel,’ zegt plotseling een zacht stemmetje vlak naast mijn oor. Mijn hoofd schiet naar links. Op mijn mouw springt een pimpelmeesje. Panierig fladdert hij met zijn vleugels. Ik volg de blik van het diertje. Mijn adem stokt. De bomen die om me heen staan, schuifelen steeds dichter naar me toe. Vlak boven mijn hoofd maaien hun takken in het rond. Ze willen me grijpen.

Mijn knieën beginnen te trillen. Ik wil me omdraaien, wegrennen, maar het kan niet. Om mijn enkel zit een groene stengel gewikkeld. Ik wil mezelf lostrekken, verlies mijn evenwicht en beland met mijn billen op de grond. Vlug draai ik me om. Op handen en één voet zet ik mezelf af. Een windvlaag scheert vlak langs mijn rug. Ik duik naar beneden. Mijn huid voelt klam en plakkerig. Ik negeer het, ik moet ik weg. Met één snelle beweging ruk ik nogmaals om mijn been los te trekken. Het lukt. Eén van de boomtakken grijpt naar mijn arm. Ik kan hem nog net ontwijken. Uit alle macht kruip ik terug naar de omgevallen boomstam, struikel bijna. Haastig spring ik op om weg te rennen. Razendsnel sprint ik het pad af, de bocht om. Nog één keer kijk ik over mijn schouder. De bomen staan rustig op hun plek, alsof er niks is gebeurd. Vogels fluiten hun mooiste lied, de zon brand op mijn jas. In mijn ooghoek zie ik een roodborstje, hij zit rustig op een tak. Een eindje verderop zie ik een ekster. Ik wrijf in mijn ogen en kijk nog één keer achterom. Dan vertraag ik mijn pas, hoofdschuddend. Heb ik dit verzonnen? Hijgend kijk ik naar mijn handen en broek, vol bruine vlekken. Ik klop het losse zand eraf. Met vlugge passen loop ik terug naar mijn auto. Het is vast de vermoeidheid geweest waardoor ik spoken ben gaan zien, toch?

Sociale angst en het Corona virus

Mijn sociale kring is klein, want ik ben graag alleen. Onbegrijpelijk voor mensen die altijd omringt willen zijn door mensen, voor mij zijn rust en stilte van levensbelang. Eigenlijk verandert er voor mij dus weinig door de Corona maatregelen, zou je denken.

Ik werk in de zorg. Terwijl de meeste mensen thuis blijven, help ik anderen met wassen, aankleden, voeding, noem het maar op. Een groot risico, want de afstand tussen mij en de patiënten is lang niet altijd de ruim 1,5 meter die het RIVM adviseert. Talloze maatregelen vliegen ons om de oren. We willen onszelf beschermen, maar ook onze bewoners, de kwetsbare ouderen. Bezoek mag niet meer binnenkomen, vergaderingen en cursussen gaan voorlopig niet door, de gangen zijn verlaten. We wachten met z’n allen op wat komen gaat. De één is optimistisch, de ander doodsbang. Kunnen wij het virus wel buiten houden. Tot nu toe is er nog niemand ziek binnen de zorginstelling waar ik werk, ook al weten we dat de ziekte zich razendsnel kan verspreiden, ook door de milde symptomen of mensen die klachtenvrij zijn.

Net als bijna alle dagen, maakte ik vanmiddag een korte wandeling. Dit is belangrijk, omdat ik op deze manier mijn psychische klachten onder controle kan houden. Nu een groot deel van Nederland thuis zit en de zon volop schijnt, is het ongelofelijk druk op de plekken waar ik normaal gesproken tot rust kom, iets waar ik vreselijk van kan balen. Wat me vandaag opviel waren de grote verschillen in wat mensen droegen. De één had een shirt aan met korte mouwen, de ander een winterjas, sjaal en handschoenen, een enorm contrast. Ik besefte weer eens hoe anders iedereen naar de dingen kan kijken. Wat voor de één als een warm voorjaar voelt, is voor de ander een koude winterdag. En dat maakt dit virus voor mij misschien wel het lastigst. Ik zal je uitleggen waarom:

Mijn sociale angst komt onder andere voort uit de meningen van anderen. Kritiek en veroordelingen wil ik ten alle tijden zien te voorkomen, iets wat in deze onzekere tijd niet lukt. De één vindt dat je binnen moet blijven, terwijl de ander het juist toejuicht als je een rondje gaat lopen. Sommige mensen willen alles over dit virus weten, anderen besluiten om de grote hoeveelheid informatie te filteren en alleen datgene te bekijken wat voor hen belangrijk is. De keuzes die je maakt, kunnen anderen ronduit belachelijk vinden. We maken ruzie over kappersbezoeken, of om de grote hoeveelheden boodschappen die gedaan worden. Het mag niet, is onterecht, of zelfs onverantwoord, terwijl er misschien een hele goede reden voor is om het wel te doen.

Zullen we proberen om wat liever te zijn voor elkaar? Geen verwijten maken om wat niet mag, maar blijven communiceren om elkaars keuzes te kunnen begrijpen? We worden er allemaal door getroffen, hoe we daarmee omgaan, bepalen we zelf, zolang we ons maar houden aan de richtlijnen van het RIVM/GGD.

Verwachtingen – Deel 2

De wasmachine piept, precies op tijd. Vlug wrijf ik met een dweil de tegels van de toiletvloer schoon en bekijk het resultaat. Tevreden loop ik naar de keuken, pluk het wc-matje tussen de schone was uit en ren terug naar de kleine ruimte.

Dit is een vervolg op mijn vorige blog: “Verwachtingen.”

Heel de ochtend ben ik al bezig met de grote schoonmaak. De ramen zijn gezeemd, alles is opgeruimd en gepoetst, zelfs de vaatwasser staat aan. Ik moet alleen nog stofzuigen, daarna is het tijd om uit te rusten.

Ik graai net in het vochtige wasgoed als de bel gaat. Zullen ze er al zijn? Het is pas half drie. Met een zucht laat ik alles los en sprint naar het halletje. Ja hoor, ik herken hun postuur onmiddellijk. Bah, de troep op de grond wilde ik graag opgeruimd hebben voordat ze kwamen. Mijn moeder kan nogal kritisch zijn.

Ze komen om over mijn boek te praten. “Alles onder controle” is een verhaal die voor zeventig procent verzonnen of aangedikt is, de rest is echt gebeurt. Heb ik mijn moeder gekwetst? Heeft zij stukken herkent of verwacht ze dat ik onderdelen schrap? Aan de ene kant ben ik niet zo bang voor dit gesprek, toch knaagt een vervelend stemmetje. Waar wil ze het over hebben?
Een glimlach verbergt mijn ware gedachten, opgewekt laat ik mijn moeder en stiefvader binnen. Een knuffel? Tja, dat Coronavirus. Ik haal mijn schouders op en sla een arm om haar heen. Ook mijn stiefvader begroet ik met een zoen op zijn wang.

‘Koffie?’

Natuurlijk, vooral mijn stiefvader lust altijd wel een bakkie. Een paar minuten later zitten we met z’n drieën naast elkaar. Ik vouw mijn benen onder mijn billen en blaas voorzichtig in de hete mok.

‘Nou, ik heb je boek gelezen,’ begint mijn moeder. Haar stem kraakt, alsof haar keel is dichtgeknepen. Daarna volgt een reeks aan woorden die weinig toevoegen. Het bekende ratelen wat betekent dat ze zenuwachtig is.

‘Ik vind dat je het verrèkte knap geschreven hebt.’

Mijn mondhoeken kunnen niet verder omhoog. Een compliment uit haar mond is vrij uniek, er moet dus wel een kern van waarheid in zitten. Mijn moeder heeft het helemaal gelezen. Zelfs mijn stiefvader, die zelden een boek aanraakt, heeft zich er in een dag tijd doorheen geslagen. Ze willen onder andere weten of ik een dagboek heb bijgehouden en wie Tim is. Het is haast niet uit te leggen dat Tim, net als Sophia, verzonnen personages zijn. Ik heb geen broer, Tim bestaat dus niet. Daarom is het een roman en geen autobiografie. Ik probeer hen uit te leggen waarom ik dit fictieve familielid er in verwerkt heb. Een lastige klus, omdat zij niet Sophia, maar mij voor ogen hadden. Ook mijn stiefvader, die niet eens in het verhaal voor komt, geeft toe dat hij geraakt is. Heeft hij het wel goed gedaan vroeger?

Ik heb geluisterd, hun vragen beantwoord en duidelijk gemaakt dat ik hen niks verwijt. Mijn persoonlijkheidsstoornis is een samenloop van verleden, karakter en gevoeligheid. Een verhaal met een verdrietig randje, maar hopelijk ook met een mooie boodschap, wat jij dit jaar al kunt lezen.

Wist je dat …

  • … mijn debuutroman “Alles onder controle” nog maar een paar stappen verwijderd is van zijn productie?
  • … het manuscript nu bij mijn schrijfcoach ligt, omdat ik een goed product wil verkopen?
  • … deze schrijfcoach mijn hele tekst doorneemt en mij binnenkort zal voorzien van advies om het verhaal te verbeteren?
  • … ik eind maart ga beginnen met herschrijven en me in de tussentijd richt op mijn tweede roman?
  • … dit volgende boek gezien kan worden als vervolg van “Alles onder controle,” maar ook los gelezen kan worden, zonder Sophia als hoofdpersoon?
  • … ik nog een uitgever nodig heb voor het perfecte eindresultaat?
  • … ik hoop dat dit allereerste boek in het najaar in de winkels ligt?
  • … een boek schrijven en (laten) uitgeven veel meer werk is dan ik in eerste instantie dacht?
  • … circa zeventig procent van dit verhaal verzonnen is?
  • … er al vijf mensen zijn geweest die alle hoofdstukken gelezen hebben?
  • … het reuze spannend blijft wat jij straks van mijn boek zult vinden?

Wil je meer weten? Vraag het me gerust. Dit kan in een reactie onder deze blog, op mijn facebookpagina of via de mail: info@ellyschrijft.nl

Verwachtingen

“Alles onder controle” is enigszins gebasseerd op mijn eigen leven. Mijn verleden loopt als een rode draad door het verhaal heen. Een groot deel is verzonnen of aangedikt, maar voor mensen die me kennen, zullen er zeker herkenbare stukken in zitten. Mijn vriend, mijn ouders, de therapeuten, zij zijn allemaal onderdeel van mijn aankomende boek. Tijdens het schrijven heb ik hier heel veel mee geworsteld. Vanaf het begin weten ze dat ik aan het schrijven ben, ze kennen het onderwerp en hebben dus allemaal hun eigen ideëen hierover. Stel je voor dat zij gekwetst raken door wat ze lezen? Of dat er dingen in beschreven staan die ze helemaal niet willen?
Mijn vriend is geen lezer. Toch weet hij precies wat er er in staat. We praten er regelmatig over, dus voor hem zijn er geen geheimen. Voor mijn moeder daarintegen geldt dit niet. We spreken elkaar nauwelijks en al onze gesprekken gaan over het weer, de koetjes en hun kalfjes. Het is daarom erg spannend om te horen wat zij van mijn werk zal vinden.
Een paar weken geleden heeft zij mijn manuscript ontvangen, dezelfde dag begon ze al met lezen. Enkele dagen later belde ze me op. Kennelijk heeft mijn tekst nogal wat stof doen opwaaien. Gisteren kwam ze langs om te praten over mijn/ons verleden. Wat ik daarvan moest verwachten, was moeilijk te zeggen.

Wil je weten hoe dit gesprek is verlopen? Ik vertel het je binnenkort op mijn Facebook pagina van Alles onder controle.

Waar ben je?

Er staat een stevige wind. Boven me drijven donkere wolken. Wat doe ik hier? Ik hoor allang binnen te zijn. Ik spits mijn oren. De kale takken zwiepen heen-en-weer. Verder blijft het stil. Zelfs de schelle stem van Daphne is verdwenen.

Wacht eens, ik hoor iets. In de plas vlak naast me verschijnt een kringetje. Dan nog één, en nog één. Oei, regen. Ik moet hier weg, voordat het te laat is. Ik probeer me te bewegen. Naar voren, naar achteren, het lukt me niet.

In de verte blaft een hond. Onmiddellijk duik ik in elkaar. De buurjongen heeft sinds kort ook zo’n luidruchtig beest, Oscar heet hij. Een pikzwarte Labradorpup die altijd wil spelen. Laatst hapte hij naar me. Gelukkig zag de papa van Daphne het net op tijd, tilde me op en bracht me naar mijn slaapplek. Waar zal hij nu zijn? Hij was er toch ook bij vanmiddag?

Een paar uur geleden rende ik nog met Daphne door de deken van gekleurde bladeren. Ze trok me mee aan het touw dat vastzit aan mijn buik. Razendsnel reed ik achter haar aan. Ik hobbelde over boomstronken, door modderpoeltjes, langs de eindeloze bospaden. En nu ben ik hier, alleen. Ik kijk naar de grond. Mijn prachtige, blauwe wielen zijn weggezakt in de blubber. Natte druppels sijpelen via mijn wangen naar beneden.

‘Wil je nog naar de speeltuin?’ had haar papa gevraagd.

Huppelend liep ze met haar vader mee. Ik keek hen na, tot ze uit het zicht verdwenen waren. Ze zouden terugkomen, dat wist ik zeker. Inmiddels is de zon achter de horizon verdwenen, het begint zelfs al te schemeren.

Ik verstijf als ik iets nats voel bij mijn staart. Wat is dat? Voetstappen komen dichterbij, ze blijven staan. Ademloos luister ik naar de geluiden achter me, totdat twee grote handen me uit de zwarte derrie halen.

‘Wat is dit nou, Lobbes?’

Hij tilt me hoog in de lucht. Verschrikt knijp ik mijn ogen dicht. Een doffe dreun galmt na in mijn hoofd, dan is het stil.

Voorzichtig open ik mijn ogen. In de verte verschijnt een oranje gloed, de nacht is voorbij. Met mijn snavel wil ik de druppels van me af poetsen. Auw! De gele verf op mijn rug is beschadigd, het geeft een zeurende pijn. Aarzelend kijk ik om me heen. Mijn wielen, schoon gewassen door de forse regenbuien, staan tegen de schors van een boom. Het touw aan mijn buik is om een knoest geknoopt.

‘Ja, daar is hij!’

Ik herken die stem, de vlugge passen die mijn kant op komen, de warme handen op mijn buik, de zoete geur. Daphne? Ik durf haast niet te kijken.

‘Ik was je kwijt, maar nu heb ik je weer gevonden.’

Dit kan niet waar zijn.

Met opgetrokken neus en mijn ogen wijd opengesperd staar ik naar het midden van de woonkamer. Het bloed kolkt door mijn aderen.

Zijn logge lijf botst tegen het dressoir tot het kraakt. Dan stapt hij bovenop de voerbak van de katten. Er klinkt een luid kabaal van ijzer dat tegen elkaar klapt, als hij zijn enorme poot weer optilt. Oeps, daar kan geen eten meer in.

Ik sla beide handen voor mijn ogen. Wild schud ik mijn hoofd. Dit kan niet waar zijn! Of toch?

Voetje-voor-voetje stap ik naar achteren, wankelend laat me op de bank vallen. Met opgetrokken knieën kijk ik hoe de slurf driftig heen-en-weer zwiept. Alles in zijn buurt krijgt een tik, wiebelt en valt om.

Binnen een paar minuten ligt mijn hele laminaatvloer vol met scherven, losse onderdelen en poep. Ieuw, wat een stank. Ik spring op en ren naar de voordeur. Het kan me niks schelen dat het regent, waait en steenkoud is, ik heb frisse lucht nodig. Ook de achterdeur en enkele ramen gooi ik open, zodat de verse zuurstof de geur kan verdrijven.

De ravage is compleet als het enorme beest zich wil verplaatsen. Waarschijnlijk rammelt hij van de honger. Wat zou een olifant eigenlijk eten?

Langzaam loop ik op het dier af. Zodra ik dichterbij kom, kijken de kleine oogjes me strak aan. Onmiddellijk krimp ik in elkaar. Roerloos blijf ik staan, terwijl zijn slurf met flinke vaart naar me toe komt. Ik deins achteruit, hoor gegil en met een hartslag die bonst in mijn keel, vlucht ik de ruimte uit die plotseling veel te krap is.

‘Wat zou je doen als dit zoogdier van ruim drieduizend kilo in je huis staat?’ vroeg de psycholoog, nadat ik had verteld hoe mijn nieuwe week eruit zag.

Mijn verhaal was kennelijk een chaotisch geheel, waarbij angst de boventoon voerde. Koortsachtig zocht ik naar oplossingen om het beest mijn huis uit te krijgen. Het zou me nooit lukken, besefte ik al snel. Moest ik het dan maar laten staan? Ik bedacht een opvangbak voor onder zijn staart, gekleurde slingers en een muts om het wat feestelijk te maken en een krachtpatser die alle meubels wilde verplaatsen, zodat het beest niks meer kon slopen. Natuurlijk hoopte ik vooral dat hij héél snel weer zou verdwijnen.

‘Je maakt je écht veel te druk.’

Het klopt. De transformatie van de mug naar een olifant verloopt vrijwel altijd vlekkeloos. Nieuwe situaties, onbekende mensen, grote drukte, ze zorgen keer-op-keer voor talloze gedachten die me bang en onrustig maken. Zelfs een neutrale gezichtsuitdrukking kan, op slechte dagen, al voldoende zijn om iedereen op afstand te houden. Daar kan ik namelijk niet op aflezen wat mensen van me vinden, iets wat voor mij van essentieel belang is.

‘Je hebt niet overal invloed op. Probeer de dingen los te laten waar je niks aan kunt veranderen. Ze leveren je onnodig veel stress op.’

Tot op de dag van vandaag vraag ik me af hoe je dat doet. “Loslaten” is makkelijker gezegd dan gedaan, toch?

Een feestje?

Na maanden van ploeteren, mopperen en zweten, is het zover; mijn verhaal ligt bij de schrijfcoach.

Vooral de afgelopen weken spookten de verhaallijnen van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat door mijn hoofd, want ondanks al het werk van mijn ijverige proeflezers, bleven twijfels me plagen. Voor de zoveelste keer las ik mijn tekst door. Het was te lang, terwijl bepaalde onderdelen nog niet eens volledig uitgewerkt waren.

Oh nee, nog steeds ben ik niet tevreden. Telkens weer vind ik iets wat beter kan. Een handicap wat schijnbaar hoort bij een perfectionistische auteur.

Met hoeveel rode strepen zal ik mijn manuscript terug krijgen? Ik wacht het rustig af. Ondertussen hou ik me bezig met achterstallige klusjes, een bezoek aan de kapper en natuurlijk nadenken over de toekomst.
“Alles onder controle” is nog lang niet klaar, maar wat ga ik doen als dit boek in de winkels ligt? Verder schrijven? En waarover dan? Het blijft nog even spannend, ook voor mij.
Oh ja, ik heb jullie ook nog een blog beloofd over een olifant in de huiskamer.
Nieuwsgierig?
Hou mijn blogs dan goed in de gaten.
Wil je niks missen? Abonneer je dan, zodat je als eerste op de hoogste blijft van alle nieuwste ontwikkelingen. 
%d bloggers liken dit: